Het Nationaal Park
El Kala in het uiterste noordoosten van Algerije tegen de
grens van Tunesië heeft een uitzicht dat we op het eerste
zicht niet zouden verwachten. Door overvloedige regenval worden
de bergen in dit grensgebied gekenmerkt door uitgestrekte
bladverliezende eikenbossen en snelstromende rivieren. In
de vlakten aan de kust liggen allerlei meren en moerassen.
De hoger gelegen
bossen zijn echt palearctisch met alle soorten van dien :
laurier en hulst , zoete kers, esdoorns en Taxus met veel
varens waar men onder meer groene specht, dwergarend en de
vale gieren terugvindt. In de riviertjes vindt men waterspreeuw,
grote gele kwik, otters en de typische vissoorten voor snelstromend
water.
De
lager gelegen en ondoordringbare kurkeikenbossen worden bevolkt
door massa’s edelherten, wat een ondersoort is met een
aparte geweivorming en vlekken. De meren zijn allemaal verschillend,
naar diepte, uitgestrektheid, veenvorming en zoutgehalte.
Er rond zijn er nog elzenbroeken van duizenden ha groot. De
Tonga is bijvoorbeeld helemaal met waterlelies begroeid en
daar broeden de fameuze witwangsternen, liggen de waterschildpadden
te zonnen, in de wilgenbossen krioelt het van de zwarte ibissen,
woudaapjes en roerdompen met daartussen massa’s witkop-
en witoogeenden.
Langs de kust in
de duinen zijn er grote maquis met zonneroosjes en daar zitten
er alle grasmusjes die je je maar kunt voorstellen, de tchraga’s
en de lokale stinkdieren.
Op de kliffen aan
de kust broeden de aalscholvers, de visarenden, de barbarijse
en eleonora’s valken en zijn er grote meeuwenkolonies
met o.a. audouin’s meeuw. Tijdens een excursie op zee
moeten we zeker de pijlstormvogels te zien krijgen.